​Sinds juni 2024 staan in twaalf gemeenten van de Vervoerregio Mechelen deelfietsen van Donkey Republic klaar. Ruim twee jaar later is de balans duidelijk. Het gebruik groeit flink, het reikt tot ver buiten Mechelen en de fiets rijdt ook wanneer bus en trein stilstaan.

Het systeem is een aanvulling die het openbaar vervoer sterker maakt, voor de kost van ongeveer evenveel als één buslijn. Het systeem wordt gefinancierd met middelen van de Vlaamse overheid en voor de Vervoerregio Mechelen beheerd door IGEMO.

​Het gebruik van deelfietsen groeit mooi

​Van januari tot en met september 2026 waren er 45.078 ontleningen van een deelfiets. Dat is 48% meer dan in dezelfde maanden van 2025. Elke maand van dit jaar ligt hoger dan dezelfde maand een jaar eerder, met een groei tussen 31% en 64%.

Elke maand meer ontleningen dan een jaar eerder

​Die groei beperkt zich niet tot de zomer. In januari, de rustigste maand van het jaar, steeg het aantal ontleningen met 55%. Mooi weer alleen verklaart de cijfers dus niet.

Het sterkste signaal is dat de groei niet uit een groter aanbod komt. In september 2024 en in september 2026 telde de vloot precies evenveel fietsen: 526. Toch telde elke fiets in september 2026 gemiddeld 11,8 ontleningen, tegenover 5,1 twee jaar eerder.

Ook het netwerk bleef nagenoeg gelijk. Tussen september 2025 en september 2026 kwamen er vier hubs bij, van 133 naar 137. In dezelfde periode steeg het aantal ontleningen met 58%. In september 2026 waren er gemiddeld ruim 200 ontleningen per dag. Inwoners hebben de deelfietsen ontdekt en gebruiken ze steeds vaker.

Niet alleen in de stad

Fietsdelen is niet louter een stedelijk verhaal meer. Sinds de start vonden 22.340 ontleningen plaats buiten Mechelen en Willebroek, ruim één op vijf. In alle tien voorstedelijke en landelijke gemeenten worden deelfietsen ontleend.

Duffel springt eruit. Met 5.074 ontleningen is het na Mechelen en Willebroek de gemeente met het meeste gebruik, meer dan elke voorstedelijke gemeente. De stationshubs van Bornem (2.743 ontleningen) en Puurs (2.267) staan op plaats vijf en zes van alle 143 hubs. Alleen de drie stationshubs van Mechelen en de Veemarkt doen beter.

Dat is geen toeval. Buiten de steden start 53% van de ontleningen aan een treinstation, in de steden is dat 34%. In de dorpen zijn deelfietsen vaak treinfietsen. Ze brengen mensen van huis naar het perron en terug, over afstanden die te voet te lang duren.

Ook binnen Mechelen en Willebroek gaat het niet alleen om het centrum. Hubs in Battel, Walem, Heffen, Leest, Hombeek, Muizen, Tisselt, Heindonk, Blaasveld en Klein-Willebroek tellen samen 8.597 ontleningen. Battel Dorp alleen is goed voor 1.448 ontleningen. Tel je die dorpskernen mee, dan start bijna één op drie ontleningen buiten een stadscentrum.

Landelijke hubs worden wel minder intensief gebruikt dan hubs in de stad. Maar ook daar groeit het aantal ontleningen. In de laatste maand waren er buiten de steden zo’n 1.300 ontleningen, tegenover gemiddeld 800 per maand sinds de start.

Deelfietsen rijden als bus en trein stilliggen

De deelfiets rijdt ook wanneer het openbaar vervoer dat niet doet. 7,4% van alle ontleningen start tussen middernacht en zes uur ’s ochtends. In september 2026 ging het om ongeveer 460 ontleningen, zo’n vijftien per nacht.

Dat is meer dan het lijkt. Tussen middernacht en zes uur starten meer ontleningen dan in het drukste ochtenduur, van acht tot negen uur (6,6%). Het uur na middernacht is zelfs drukker dan het uur van zes tot zeven, wanneer de eerste bussen en treinen al rijden. Tel je de late avond mee, dan start één op zeven ontleningen tussen tien uur ’s avonds en zes uur ’s ochtends.

De cijfers zeggen niet wie er dan een fiets ontleent. Maar wie ’s nachts naar of van het werk moet, in de zorg, de horeca of in ploegen, heeft dan zelden een bus of trein. Voor hen zijn deelfietsen een betaalbare manier om toch op de bestemming te raken.

Een aanvulling, geen concurrent

Deelfietsen vervangen de bus en de trein niet. Ze maken die net bruikbaarder. Een treinreis begint en eindigt zelden aan het station. Vaak bepalen de laatste kilometers naar huis, het werk of de school of iemand de trein neemt of de auto. Precies daar zit de deelfiets: buiten de steden start de helft van de ontleningen aan een station.

Neem iemand die in een dorp woont, drie kilometer van het station. Te voet is dat veertig minuten, en de bus rijdt niet altijd wanneer de trein vertrekt. Met een deelfiets aan de dorpskerk staat die persoon na tien minuten op het perron. Zo vergroot de deelfiets het bereik van elk station.

Daarnaast bedient de deelfiets de momenten en plaatsen waar een bus moeilijk rendabel rijdt. Een buslijn volgt een vaste route en een dienstregeling. Een deelfiets vertrekt wanneer de gebruiker wil, naar de hub die hij kiest, in een netwerk van 137 hubs in twaalf gemeenten. Dat maakt hem geschikt voor korte verplaatsingen in de dorpen en voor de nacht, wanneer de vraag te klein is voor een bus.

Zo vullen beide systemen elkaar aan. Het openbaar vervoer draagt de grote stromen op vaste assen. Deelfietsen zorgen voor de fijnmazige verbindingen errond.

Deelfietsen voor de prijs van één buslijn

Het hele deelfietssysteem kost ongeveer evenveel als één buslijn. Voor dat bedrag krijgt de regio geen enkele route, maar een netwerk van 137 hubs in twaalf gemeenten dat dag en nacht beschikbaar is.

Een buslijn bedient één as, op vaste uren. De deelfiets bedient tegelijk de stations, de dorpskernen en de nacht. Sinds de start in juni 2024 waren er al 101.509 ontleningen.

Bovendien wordt elke euro steeds beter besteed. Dezelfde 526 deelfietsen tellen vandaag meer dan twee keer zoveel ontleningen als twee jaar geleden. Zolang die groei doorzet, levert dezelfde investering elk jaar meer verplaatsingen op.

Een deelfietsnetwerk is ook wendbaar. Een hub die weinig gebruikt wordt, kan verhuizen naar een betere plek. Een nieuwe wijk of een bedrijventerrein is snel aangesloten, zoals Business Park E19 in Mechelen in september 2026. Een buslijn omleggen vraagt veel meer tijd en geld.

Verderzetten loont

Na ruim twee jaar spreken de cijfers voor zich. Het gebruik groeit op een jaar met bijna de helft, met evenveel deelfietsen. Eén op vijf ontleningen start buiten de steden, vaak aan een treinstation. En de fiets rijdt door wanneer het openbaar vervoer stilligt.

Het systeem verderzetten is dus geen keuze tegen het openbaar vervoer, maar een keuze voor openbaar vervoer dat beter werkt. Wie de deelfietsen schrapt, haalt de schakel weg tussen de dorpen en de trein, of tussen de dorpen en de stad. En wie ’s nachts onderweg is, verliest een betaalbaar alternatief.