In de zomer van 2025 organiseerde IGEMO een online enquête over mobiliteitsarmoede bij eerstelijnsmedewerkers, professionals in sociale beroepen die in direct contact staan met kwetsbare doelgroepen. De enquête maakt deel uit van een pilootproject dat tot doel heeft bruikbare inzichten te verzamelen over mobiliteitsarmoede en een gedeeld begrip van de problematiek te creëren tussen professionals.

We verspreidden de enquête, in samenwerking met Mobiel 21, via e-mail, sociale media en intermediairs in sociale organisaties. En met effect! In het totaal namen 70 medewerkers deel, actief bij uiteenlopende organisaties zoals OCMW’s, CAW’s, VDAB en gemeentebesturen. Hun werkingsgebied bestrijkt alle gemeenten in Regio Rivierenland.

Wat leert de enquête ons over mobiliteitsarmoede?

De antwoorden bieden waardevolle inzichten in hoe mobiliteitsarmoede zich manifesteert in de regio. drie bevindingen springen daarbij in het oog.

1. Wijdverspreid maar ongelijk verdeeld fenomeen

Respondenten signaleren grote verschillen binnen hun doelgroepen: sommigen ervaren nauwelijks problemen, anderen kampen er dagelijks mee. Meer dan de helft van de eerstelijnswerkers zegt dat mobiliteitsarmoede een dagelijks probleem is bij hun voornaamste doelgroepen. Die vaststelling komt niet alleen van eerstelijnswerkers in de steden (Mechelen en Lier), maar ook van hun collega’s in minder stedelijke omgevingen.

Eerstelijnswerkers in Regio Rivierenland ervaren in meer dan de helft van de gevallen minstens dagelijks mobiliteitsarmoede bij hun doelgroepen

Vooral groepen mensen in met een lager inkomen, met mentale en fysieke beperkingen, ouderen en alleenstaande ouders worden genoemd als meest kwetsbaar. Nieuwkomers en jongeren/kinderen lijken minder een gebrek aan vervoersmogelijkheden te ondergaan. Binnen die genoemde doelgroepen zijn de verschillen echter groot.

2. Gevolgen raken fundamentele levensdomeinen

Mobiliteitsarmoede heeft vele gevolgen voor het dagelijkse leven. Het beperkt mensen in hun toegang tot gezondheidszorg, werk en vergroot de sociale uitsluiting en eenzaamheid. Sociale isolatie en eenzaamheid worden door bijna een derde van de respondenten genoemd als een belangrijk gevolg. Ook de toegang tot hulp- en dienstverlening komt in het gedrang, met name bij dak- en thuislozen en mensen met een beperking.

3. Bestaande oplossingen zijn onvoldoende laagdrempelig

Eerstelijnswerkers noemen openbaar vervoer, Mobitwin/Mindermobielencentrale en fiets- of autorijlessen vaak als gekende oplossingen voor mobiliteitsarmoede. Tegelijk benadrukken de respondenten dat het aanbod toegankelijker, betaalbaarder en beter op de doelgroepen afgestemd moet worden.

Bij de gewenste oplossingen wordt opnieuw vaak verwezen naar beter openbaar vervoer. Daarnaast is er veel aandacht voor het laagdrempelig aanbieden van deel- of huurfietsen. De bevraagde eerstelijnswerkers vernoemen ook de randvoorwaarden, zoals fietskluizen en veilige fietsinfrastructuur. Verder vermelden ze meermaals taxicheques en een uitbreiding of verbetering van Mobitwin .

Resultaten met voorzichtigheid te interpreteren

De enquête biedt waardevolle signalen, maar kent methodologische beperkingen. Door met intermediairs te werken, omzeilen we een belangrijke bias, namelijk dat slachtoffers van mobiliteitsarmoede meer dan anderen laaggeletterd of weinig digitaal vaardig zijn. Dat heeft weliswaar voor gevolg dat we informatie niet uit eerste hand verzamelen.

De steekproef is relatief klein (70 respondenten) en de verspreidingsstrategie via bestaande netwerken kan leiden tot selectiebias. Dit betekent dat sommige organisaties of doelgroepen mogelijk ondervertegenwoordigd zijn. De vaststellingen sluiten evenwel aan bij wat uit eerder onderzoek naar voor kwam.

Hoe pakken we mobiliteitsarmoede verder aan?

De enquête was een beknopte introductie in het complex probleem van mobiliteitsarmoede. Het is belangrijk om een gedeeld begrip van mobiliteitsarmoede te ontwikkelen tussen mobiliteitsprofessionals (zoals beleidsmakers, planners en dienstverleners) en professionals in sociaal werk (zoals maatschappelijk werkers, coördinatoren en outreachmedewerkers). Vandaag komen deze sectoren zelden op een structurele manier met elkaar in contact, ook al werken ze rond sterk overlappende uitdagingen. Een begeleide dialoog kan blinde vlekken zichtbaar maken, misvattingen wegnemen en nieuwe vormen van samenwerking op gang brengen.

Binnen het project Mobility Makers willen we deze uitdaging aangaan en duurzame samenwerkingen en gedeelde referentiekaders opbouwen waar nieuwe initiatieven uit kunnen voortvloeien. Mobiliteitsarmoede is immers geen tijdelijk probleem, maar een structurele uitdaging die vraagt om langdurige en flexibele oplossingen. Netwerken die in de huidige pilootfase ontstaan, kunnen uitgroeien tot een blijvend platform voor samenwerking.

Conclusie

De enquête bevestigt dat mobiliteitsarmoede een hardnekkig probleem is dat verschillende levensdomeinen raakt. Voor lokale besturen betekent dit dat er blijvend geïnvesteerd moet worden in betaalbare, toegankelijke en inclusieve mobiliteitsoplossingen. Die moeten afgestemd zijn op de noden van de meest kwetsbare inwoners. Als een belangrijke voorwaarde daartoe denken we dat mobiliteitsprofessionals en professionals in sociaal werk rond deze problematiek structuereel moeten samenwerken, met gedeelde referentiekaders

Deze bevraging is uitgevoerd binnen het project Mobility Makers, met de steun van Interreg North Sea.